De gelukkige Bloemkoolwijk

Kronkelende wegen met tientallen doodlopende straatjes, eindeloze rijen woningen van witte baksteen, voortuinen en verkeersdrempels van gewassen betontegels en heel veel bergingen. Deze kenmerken van de typische seventies-woonwijk maken deel uit van veel van de kinderherinneringen van de jong-volwassenen van nu. Als je er opgroeide speelde je waarschijnlijk urenlang verstoppertje met buurtkinderen in kleine steegjes en onderdoorgangen, of trapte je samen een bal tegen de garagedeuren. Woonde je ouders ergens anders, dan ben je vast wel eens wanhopig verdwaald op deze onbegrijpelijke plekken, waar de wegen in rondjes gaan en alles op elkaar lijkt.

Welkom in de bloemkoolwijk.

Ontstaan
Bloemkoolwijken zijn een typisch Hollands fenomeen. De wijken, waarin het stratenpatroon lijkt op een opengesneden bloemkool, zijn van 1970 tot 1985 aan bijna elke Nederlandse gemeente toegevoegd. Het was de eerste grootschalige manifestatie van urban sprawl, stadsuitbreiding – en een reactie op de monotone en anonieme flats die tijdens de Wederopbouw uit de grond waren gestampt. In bloemkoolwijken staat bijna elke woning op de grond, met een eigen tuin en brede stoep. In plaats van in rechte straten, staan ze in kleine groepjes rond een woonerf, een pleintje waar de huizen op uitkijken en de kinderen veilig spelen. Deze zijn met elkaar verbonden door allerlei achterstraatjes; de grote wijken zijn zo te belopen zonder slechts één auto tegen te komen. Tenminste, als je de weg weet.

Waar de auto in de jaren ‘50 de stad bepaalde, werd deze nu eens radicaal zijn plek gewezen. Het contrast met de galerijwoningen uit de tijd van de het modernisme had niet groter kunnen zijn. Tegenover de grote ‘schijven’, ontworpen met de principes van ‘licht, lucht en ruimte’ naast de grote snelwegen die de stad doorkruisten, boden de bloemkoolwijken een dorpse gezelligheid. De stad was niet langer open en anoniem, maar juist intiem en besloten. Niet eenvoudig en herhalend, maar frivool en complex. Niet bedoeld om doorheen te rijden, maar om in te verblijven – de straat was als een grote huiskamer.

“De straat wordt van de auto ‘gered’ door het als woonerf te transformeren tot collectief domein. Daarmee neemt het woonerf in de Nederlandse stedenbouwkundige traditie van collectieve ruimten een emancipatoire plaats in. Het erf werd ontworpen als ruimte voor zelf-ontplooiing, zelfbeschikking, toeëigening en ontmoeting.”
uit: Het Woonerf Leeft, 2010

Het concept bleek enorm populair. In de jaren zeventig ging met op zoek naar vrijheid, een connectie met de natuur, collectieve ruimtes, een community, naar knus en gezellig, maar – voor het grootste deel van het land – ook naar een gewone grondgebonden woning met een hypotheek. Het was de tijd van massale kleinschaligheid en alledaags geluk. In vijftien jaar werden meer dan een miljoen huizen gebouwd in een bloemkoolwijk. Tot er, met de crisis van de jaren 80, weer een andere periode aanbrak; zuiniger, sober en formeel.
Het-principe-van-de-bloemkoolwijk
Kleinschaligheid en complexiteit komen samen in het stedenbouwkundig ontwerp van de bloemkoolwijk; zoals te zien op deze conceptuele tekening van de ‘uitvinder’ Niek de Boer, voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift ‘Baksteen’ in 1972.  

Vergeten en vergaan
Inmiddels zijn de bloemkoolwijken zo’n 40 jaar oud, en in die tijd hebben ze weinig aandacht gekregen. De wijken staan voor veel mensen symbool voor een kleinburgerlijke braafheid en hebben het imago van truttigheid. Er zijn vaak weinig activiteiten, maar evenmin urgente problemen, zoals criminaliteit of asociaal gedrag. Zo leken veel gemeenten de wijken in de afgelopen decennia een beetje vergeten te zijn.

Sinds kort is daar echter verandering in gekomen en staan ze bijna overal weer op de agenda. Ondanks dat het in bijna geen enkele stad probleemwijken zijn, vallen de kleine sociale en ruimtelijke moeilijkheden meer op, omdat juist de ‘krachtwijken’ wel zijn aangepakt en opgeknapt.

De belangrijkste reden voor deze, toch lichte verloedering, is dat de filosofie achter de bloemkoolwijk, die de stedenbouwkundige structuur op een vrij rigide en onflexibele manier heeft bepaald, niet meer past bij de huidige bewoners en de huidige tijd. In de jaren ‘70 kwamen mensen met dezelfde idealen over samenzijn en gezelligheid in de woonerven wonen, veelal samen met kleine kinderen die zorgden voor veel reuring. Deze bewoners zijn inmiddels voor een groot deel vernieuwd; kinderen zijn opgegroeid en uit huis gegaan en er zijn nieuwe mensen in de wijk komen wonen die niet per se hebben gekozen voor deze idealen. Het systeem van sociale controle, dat nodig is om de specifieke kronkelige en onoverzichtelijke ruimtelijke structuur van de wijken levendig en veilig te houden, is hierdoor ingestort. Veel doodlopende straatjes en smalle steegjes liggen niet in het zicht, verrommelen en geven een onveilig gevoel.

En… weer opgestaan
Maar er is ook een positivere reden waarom bloemkoolwijken de laatste tijd weer in de belangstelling lijken te staan. Niet alleen bij gemeentes, ook bij stedebouwkundig ontwerpers en architecten lijkt de laatste jaren de interesse opnieuw te zijn gewekt. In een individualiserende samenleving, waarin veel mensen alleen wonen, zijn waarden als collectiviteit, community-living en een gemeenschappelijk ‘woonhof’ (of woonerf) weer in trek. Ook de begrippen participatie en emancipatie, die gaan over een wereld waarin niet alleen een elite, maar iedereen iets te zeggen heeft, hebben de laatste jaren opnieuw betekenis gekregen. Door ontwerpers en ontwikkelaars worden met nieuwe bewoordingen dezelfde oplossingen omschreven, maar dan voor de problemen die op dit moment spelen. Oplossingen die in de jaren ‘70 eigenlijk al zijn getest.

Het zou dus zomaar kunnen, dat, met een aantal aanpassingen, de bloemkoolwijk een flinke opleving kan maken. Bloemkool 2.0 als gelukkige stad van de toekomst.

Tekst en foto: Stella Groenewoud

Afbeelding bloemkoolconcept: Niek de Boer, voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift ‘Baksteen’ in 1972.