Aetzel Griffioen

Vakmanstad

 

>> Rotterdam

Aetzel Griffioen is filosoof en hoofdcoördinator van Rotterdam Vakmanstad. Hij onderzoekt nieuwe vormen van gemeenschappelijke welvaart en werkt aan sociaalecologisch onderwijs in de wijken van Rotterdam-Zuid. Op het LAB behandelt hij de vraag ‘Hoe houden we het geld in de buurt?’ en begeleidt hij de studenten met hun vragen over gemeengoed.

VOORAF

Een inleiding over twee soorten concepten

Zodra je begint te filosoferen, veranderen je kijk op de wereld en je begrip van de werkelijkheid. Vanzelfsprekend bewegen je blik en begrip altijd al mee naarmate je ouder wordt. Filosofie is één van de manieren om doelbewust een drift op gang te brengen. (Net als kunst, experimenten, meditatie, therapie, sport en keuzes in je leefstijl of je leefomgeving.) Door te reflecteren vindt je andere perspectieven. Die opschrijven, uitbeelden of bespreken, is ze volgen en ontwikkelen. Filosofen gebruiken vooral toetsen en pen – en teksten van anderen. Daarbij schrijven ze niet alleen over hun eigen gedachten. Ze reageren ook op elkaar. Daarom letten filosofen op hun woorden. Ze zijn voorzichtig, maar niet omdat ze niemand voor het hoofd willen stoten. De filosofische voorzichtigheid is een bepaald soort precisie. Een focus. En die precisie wil nog wel eens streng overkomen. Of met opzet moeilijk. Maar het is een effect van de materialen die zij voorhanden hebben. Filosofische teksten zijn zowel het verslag van het afleggen van een verandering in het denken van de schrijver, als een gereedschap voor jou als lezer om te reflecteren op je eigen denken. En dus materiaal voor de volgende filosoof.

Filosoferen houdt onder meer in het opstellen van concepten. Filosofische concepten werken echter niet op dezelfde manier als ontwerpconcepten. Ontwerpconcepten zetten aan tot concrete expressie, terwijl filosofische concepten vooral iets uitdrukken. Een ontwerpconcept verwijst naar iets dat gemaakt kan gaan worden. Een filosofisch concept verwijst daarentegen naar zijn onderwerp zoals de schrijver het heeft getraceerd. Het duidt een aspect van iets bestaands of van het bestaan zelf. Het drukt een saamhorigheid van talige elementen uit, dus een constellatie van ideeën of van deelconcepten. Je kunt het gebruiken om een lading of richting mee te geven aan een ontwerpconcept, maar je kunt het niet zomaar ontwerpen. Daar is een nog een extra vertaalslag voor nodig dan de vertaalslag die je maakt als je van een ontwerpconcept naar een ontwerp gaat, namelijk die van filosofisch concept naar ontwerpconcept. Omgekeerd is een ontwerpconcept niet hoofdzakelijk een talige duiding. Een ontwerpconcept leidt toe naar een instructie, een handleiding of een blauwdruk. Zulke voorstellen kunnen ontstaan uit een filosofisch onderzoek, maar zijn niet het onderzoek zelf. En dat slaat terug op de meent. Met de meent hebben we namelijk een interessante verhouding tussen ontwerp en onderzoek te pakken.

Een introductie van de gelukkige meent

De gelukkige stad is gelukkig omdat haar bewoners dat kunnen zijn. Al in een middelgroot dorp kennen niet alle bewoners elkaar. Laat staan in een stad. Contact kan ontbreken, vluchtig zijn, zoals in het verkeer of bij een grote supermarkt, en hun contact kan intiem zijn, zoals thuis of in een schoolklasje. Geluk heeft met al die elementen te maken. Meentes zijn plekken en groepen waarbinnen mensen met zo min mogelijk middelen zo veel mogelijk kunnen produceren van iets dat mensen nodig hebben. Sommige meentes, zoals een mindfulness-groep, bestaan lange tijd voor een min of meer vaste groep mensen. Andere meentes, denk aan het downloaden van een creative commons filmbestand, zijn net zo vluchtig en misschien wel net zo anoniem als een giroafschrijving. In dit geval is de meent een netwerk, en vormen slechts de actieve onderhouders van het netwerk een duidelijk af te bakenen groep. In alle gevallen stellen meentes en meentenaren, of commons en commoners, de onderlinge verbanden centraal. Niet omwille van zichzelf, maar om iets te produceren. Meentes zijn interne economieën en netwerken van meentes zouden een inclusieve economie kunnen vormen. Een economie waar niet het individu, maar de onderlinge verbanden leidraad zijn. Een ecologische economie.

EEN KORTE INTRODUCTIE VAN DE MEENT

Peer-to-peer. De deeleconomie. Samen Sterk. Buurtzorg. De participatiemaatschappij. Open source. Big Society. Basisloon. De gemene deler van deze begrippen is dat ze een vinger proberen te krijgen achter recente veranderingen op het gebied van samenleven, werken en politiek. Niet al het delen in de deeleconomie is even eerlijk. Soms is het zelfs geen delen. (ii) Platforms, organisaties en rechten die echt delen mogelijk maken, vat ik samen met het begrip meent. Deze tekst biedt een korte achtergrond en een kort overzicht van zeven verschillende schalen van het gemene of het gemeenschappelijke.

  1. De meent

De meent is net zo’n woord als ‘de markt’ en ‘de publieke overheid’. Net zo is gemeenschappelijk eigendom een derde vorm van eigendom, naast publiek bezit en privaat eigendom. De markt is het domein van de veelal anonieme handelstransacties, van investeringen en financiële speculatie. De overheid is het domein van het nationaal of supranationaal bestuur en van het nationaal bezit. De meent is het domein van het collectieve handelen: van gezamenlijk eigendom en gezamenlijke actie. Daarmee bedoel ik overigens niet alleen het bewust gemeenschappelijke handelen van een groep mensen, maar ook de optelsom van de vele verschillende, niet direct aan elkaar gerelateerde handelingen van de wereldbevolking: van het aggregaat van handelingen. Net zoals er veel verschillende bedrijven en veel verschillende soorten overheid met uiteenlopende visies op bestuur en politiek bestaan, zijn er ook veel verschillende soorten meenten. In ieder geval gaat het bij alle meentes om burgers die onderling samenwerken. Verder is een combinatie (maar niet alle) van de volgende onderdelen ook altijd aanwezig: samen een meent beheren en besturen; samen processen en objecten ontwerpen en bouwen; informatie, kennis en waar van toepassing ook materiaalstromen en energie delen; en werken aan verduurzaming van de sociale en ecologische verhoudingen.

2. Recente theorie over de meent

Meentes hebben lange tijd bestaan in Noordwest Europa. Nu zijn die oude meentes er in het Noorden nauwelijks nog. Filosofen van toen hebben veel over die oude meentes geschreven. Hugo de Groot, John Locke en Karl Marx zijn de bekendste. Ook de laatste eeuw schrijft men erover, maar dan met het doel voor ogen om nieuwe meentes op te richten. En de laatste jaren gebeurt dat ook. Er komen steeds meer nieuwe meentes bij. (iii) Zo legt de Belgische peer-to- peer denker Michel Bauwensiv de commons en dus de meent vooral uit van het perspectief van de peer-to-peer creatie en uitwisseling. Dat is niet zomaar. Open source software en open source hardware, kennisdelingsnetwerken, de gemakkelijke toegankelijkheid van films, teksten, software – op een bepaalde manier is veel van wat voorheen privé-eigendom was, nu in ieder geval sterk gedeeld, en misschien wel gemeenschappelijk geworden. Met de opkomst van kleine 3D printers, CNC mills, 3D scanners, biohacking-apparatuur, stadslandbouw wordt het bovendien mogelijk om steeds meer van wat eerst in grote fabrieken en laboratoria gemaakt en onderzocht wordt, nu op lokaal niveau te verzorgen. (v) (vi)

Het verschil met andere vormen van eigendom schuilt hem in de gemeenschappelijkheid. Want de meent is noch privaat of bedrijfseigendom, noch publiek staatseigendom, maar gemeenschappelijk eigendom. Eigendom van een gemeenschap, een groep, een coöp, een vereniging of stichting – in algemene termen: van een collectief. Tine de

Moor, historica aan de Universiteit Utrecht, noemt de nieuwe meentes daarom ‘institutes for collective action’ (vii). Nieuwe meentes gaan namelijk over meer dan alleen land en visgronden – de oude meentes. Zeer uiteenlopende diensten op het schaalniveau van het directe belang van burgers worden nu gemeenschappelijk ingericht, zoals ouderparticipatiecrèches, wijkverpleging volgens het Buurtzorgmodel, energiecoöperaties, crowdfunding, glasvezel- aanleg, stadstuinen en wooncoöperaties.

3. De oude meentes

De meent heeft vanaf zijn ontstaan zeker drie verschillende ladingen meegekregen. Die vierde lading ontwikkelen we nu. De eerste lading was courant vanaf de Laat-Romeinse periode tot de negentiende eeuw. In die betekenis is de meent ook nu nog (maar dan vooral in het globale Zuiden) een stuk land of water waarvan een groep mensen een deel van hun bestaansbehoeften betrekt. Boeren werkten samen om hun risico’s te spreiden en om voordeel te hebben van de schaalvergroting. Deze meentes waren stukken grond, bos en water waar zij kleine hoeveelheden vee lieten grazen, voedingsgewassen kweekten, takken raapten, turf staken, bessen plukten en vis vingen. Wat ze zo verkregen mochten zij niet buiten het dorp verhandelen tegen commerciële prijzen, maar hoogstens uitruilen voor lage prijzen met dorpsgenoten. Zo konden zij in hun bestaansbehoeften voorzien. Buitenstaanders, die geen lid of deelnemer van de meent waren, mochten de meent niet of slechts met beperkte rechten gebruiken. Meentes waren dus gemeenschappelijk, maar niet vrij toegankelijk. Ze waren van een gemeenschap en ze werden beschermd.

Later, in achttiende en de negentiende eeuw, ging men de meent zien als een armoedige manier van samenleven. (viii) En in de twintigste eeuw kreeg het begrip zelfs de lading van een onmogelijke manier van samenleven. (ix) Ecoloog Garrett Hardin schreef toen de tekst ‘The Tragedy of the Commons’ of ‘De tragedie van de meent’. Daarin voltrok hij een gedachtenexperiment waaruit zou blijken dat gemeenschappelijk eigendom niet kon bestaan – ze zouden altijd tragisch ineenklappen. Als Hardin zijn theorie aan de werkelijkheid had getoetst was hij er al snel achter gekomen dat de oude meentes juist de langst bestaande instituten van de mensheid zijn geweest. Sommigen hebben meer dan duizend jaar gefunctioneerd. Dat deed hij echter niet en zijn tekst is ironisch genoeg wereldwijd een zeer veel geciteerde wetenschappelijke tekst geworden. Ook nu nog geloven veel mensen dat gemeenschappelijk eigendom en gemeenschappelijke organisatie verkeerd zijn, niet lang kunnen bestaan, of onwenselijk. Alleen de overheid of private partijen op de markt (bedrijven) zouden zich goed kunnen organiseren; en alleen privaat eigendom of staatseigendom zou goed functioneren. Dat wil zeggen, zonder de markt te verstoren.

De beroemde politiek econoom Elinor Ostrom won in 2009 met Oliver E. Williamson de Nobelprijs voor haar onderzoek waarin zij Hardins opvattingen over markt en meent weerlegt. Ostrom onderzocht bestaande meentes en kwam tot een set van acht voorwaarden waardoor meentes succesvolle instituten worden: 1) Meentes moeten zich afbakenen en 2) interne gebruiksregels stellen. Ze moeten 3) democratische besluitvorming mogelijk maken, en 4) zichzelf monitoren. 5) Sancties zijn nodig om gedrag binnen de regels te houden. 6) De meent moet alle leden toegang bieden tot goedkope en begrijpelijke manieren om conflicten te beslechten. 7) Een meent moet ingebed zijn in de publieke overheid ter plaatse en 8) als een meent bovenmatig groeit, is het verstandig om zichzelf op te delen in meerdere, lokaal gebonden meentes. (x)

4. De global commons en sociale rechten

Of de markt leidend moet zijn, mogen we ons zeker afvragen na de financiële crisis van 2008. In ieder geval kunnen we met zekerheid stellen dat niet alles geschikt is om op de vrije markt of door de huidige nationale en internationale overheden te worden gemanaged. Ten eerste omdat de mogelijkheidsvoorwaarden voor het leven op aarde onder de business as usual sterk aangetast zijn. Denk aan de atmosfeer, de zeeën en ecosystemische functies. Ook sociaal is het ongelijk verdeeld. Samen met enkele andere zaken waarvan het moeilijk is om je voor te stellen dat een nationale overheid, een bedrijf of een individu ze zou bezitten (zoals de ether, het internet, cultuur, taal, oude muziek, DNA en zelfs buitenaardse objecten zoals meteoren en de maan) noemen we ze de global commons. Anders dan meentes, die gemeenschappelijk zijn en afgeschermd, zijn de global commons gemeenschappelijk omdat ze (in principe) aan iedereen toebehoren. Iedereen kan er immers bij. Maar precies omdat het open access regimes zijn, kan ook iedereen er misbruik van maken.

De tweede reden waarom niet alles door bedrijven of overheid gemanaged kan worden, heeft te maken met het beschermen (en verbeteren) van de machtsverhoudingen. Sociale rechten zijn bedoeld om burgers te beschermen tegen de uitwassen van machtsconcentraties. Burgerrechten zijn daarom ook een vorm van gemeengoed. Sociale rechten zijn gemeengoed op het schaalniveau van de bevolking. Het recht op betaalbare huisvesting, bijvoorbeeld, het recht op demonstreren, of het recht op juridische ondersteuning. De overheid moet deze rechten weliswaar garanderen en inbedden in de dagelijkse gang van zaken, maar de burgers moeten zelf zorgen dat hun rechten gewaarborgd blijven.

5. Intellectueel en digitaal gemeengoed

Een aantal jaar geleden probeerde KPN een kleur onder het merkenrecht te plaatsen. Het is gelukt, omdat het een zeer specifieke kleur was die (min of meer) aantoonbaar bij het bedrijf was gaan horen in de ogen van het publiek. T-Mobile volgde. Ook dat bedrijf wilde de exclusieve rechten claimen op het gebruik van hun bedrijfskleur. Met één maar. De bedrijfskleur van T-Mobile is namelijk magenta, de rode basiskleur. In het uiterste geval zou T-Mobile er rijk van geworden zijn, maar het doel was dat niemand anders nog roodschakeringen had kunnen gebruiken.

Dit als voorbeeld van intellectueel eigendom en de manier waarop het nu geregeld is. Binnen bepaalde perken is het mogelijk om zelfs het exclusieve gebruiksrecht van een kleur te krijgen. Hetzelfde geldt voor DNA. En voor uitvindingen, die niet altijd worden gepatenteerd om ze exclusief te kunnen produceren, maar ook om te zorgen dat niemand ze kan gebruiken. Patent als een wapen in handen van het ene bedrijf tegen het op de markt brengen van concurrerende technologieën door een ander bedrijf.

Vaak voeren voorvechters van een strenger intellectueel eigendomsrecht (zoals het Nederlandse BREIN en Buma Stemra) de rechten van kunstenaars, schrijvers en muzikanten op. Dat is een goede strategie, want het is moeilijk betogen dat een band niet zou moeten kunnen verdienen aan een album. Aan de ene kant is het nodig voor alle makers om te kunnen verdienen aan hun ontwerpen. Maar aan de andere kant leidt het huidige intellectuele eigendomsrecht vooral op het vlak van technologie en medicijnen én tot problemen voor mensen die er wel gebruik van zouden willen maken, maar dat niet kunnen betalen, én het leidt tot een afname van de innovatiesnelheid. Andere manieren van het delen van intellectueel eigendom zouden hiervoor iets kunnen betekenen. Daarom hebben mensen uit het deel van de software industrie die is gericht op vrij verspreidbare, open source software licenties ontwikkeld die copyright, merkenrecht en patenten zouden kunnen aanvullen met minder strenge mogelijkheden. (xi) Denk aan open source software, de GNU licentie, Creative Commons en de blockchain. Inmiddels is het mogelijk om deze alternatieve juridische licenties ook voor muziek, ontwerpen, film enzovoort te gebruiken. Deze licenties ambiëren of om van intellectueel eigendom een open access regime te maken, dus een soort copyleft, of om groepen gebruikers en makers bijeen te krijgen in een cultuur van delen en geven, zonder tussenkomst van bedrijven. Ook hebben arme landen medicijnenfabrieken opgericht die medicijnen produceren, waarop zij eigenlijk geen recht zouden hebben vanwege patenten. De landen voeren aan dat belangrijke medicijnen door die bedrijven ontoegankelijk blijven voor hun bevolking. Dat is voor hun reden om het intellectueel eigendomsrecht te schenden. Zij voeren de discussie op het scherp van de snede: veel van wat nu vastgelegd is, zou eigenlijk onderdeel van het publieke domein moeten zijn. Aan de kant van consumenten en software producenten voeren torrent-sites deze strijd ook, maar dan voor cultuurgoederen. Verschillende kunstenaars claimen het recht om in hun werk beelden van merken op te nemen, ook al proberen die merken dat juist te verbieden. (xii)

6. De menigte

Meentes willen maken, betekent eerst kijken naar relaties en naar netwerken, en dan pas naar identiteiten en groepen. De filosofen Michael Hardt en Antonio Negri, als representanten van een stroming die zijn oorsprong heeft in het Italië van de jaren ’50, zien op wereldschaal een soort supermeent die zij menigte noemen. (xiii) Daarbij gaat het niet om het totaal aantal mensen op aarde, maar om alle relaties, feedback loops en communicatieve verbanden die zij (kunnen) vormen. Oneindige reeksen van reeksen van statistische bewerkingen zonder territorium. (xiv) Dit is een nuttig concept om te begrijpen hoezeer de globale economie waarde produceert, en hoe die waarde afhankelijk is van steeds verregaander flexibiliteit: minder vaste contracten, minder sterke huurrechten en minder sociale voorzieningen. (xv) Het concept menigte is politiek gekleurd: het is een poging om manieren van de organisatie en doelstelling van de economie te ontwaren waarin meer plaats is voor meentes en voor netwerken van meentes.

7. Ter afsluiting: Ecologie en schalen van het gemene

Onze economie draait op het principe dat kosten die niet bij de core business van een bedrijf, overheidsorgaan of burgerbestaan horen, worden geëxternaliseerd. Dat wil zeggen dat ze afgewenteld worden op anderen, zonder dat die ervoor hebben gekozen. Externalisering betekent vervuiling in ecosystemen, uitbuiting op sociaal vlak en mentale ontregeling. Die drie vlakken samen – fysiek, sociaal en mentaal – vormen samen de drie aspecten van ecologie. (xvi) Alleen als ze alle drie congrueren, is er werkelijk sprake van een ecologische of duurzame dienst of product. Ecologie linkt ook de verschillende schalen van het gemene (dat wil zeggen alles wat met gemeenschappelijkheid te maken heeft) die ik hier besproken heb (samengevat in de tabel hieronder).

De global commons worden bedreigd, terwijl de lokale meentes door de eeuwen heen juist ecologische en economische stabiliteit creëerden. De afname van de biodiversiteit op het land, het afsterven van koraalriffen en het leegraken van visgronden, lokale verwoestijning en klimaatverandering zijn daarom eerder een tragedie van de markt en van de overheid dan een tragedie van de meent. Hetzelfde kunnen we zeggen voor de toenemend ongelijke welvaartsverdeling. De zorg voor ecosystemen en sociale verbanden meer in handen van burgers leggen, is mogelijk door meentevorming te stimuleren. Maar niet alleen om ideële beweegredenen, maar ook omdat het praktisch gezien in veel gevallen gewoon beter kan dan het nu geregeld is, richten mensen steeds meer meentes op. Sociale ondernemingen kunnen dat op product- en dienstenniveau, verenigingen en stichtingen op sociaal niveau, en de overheid op infrastructureel en juridisch-economisch niveau. Lokale meentes kunnen bovendien allianties aangaan die boven hun eigen gebied uitstijgen. Relationaliteit voorop, en beginnend bij behoeften: bij de vraag wat te produceren om bij te dragen aan de gemeenschap in plaats van de vraag hoe een product te verkopen.

>> bekijk de presentatie als PDF

Literatuur / Noten

i)  Deze versie van deze tekst is ter begeleiding van het lesonderdeel getiteld ‘Hoe gemeen zijn we?’ voor ‘De Gelukkige Stad’, het BA Honours Living Lab van de TU Delft, de Universiteit Leiden en de Erasmus Universiteit Rotterdam, begonnen in het collegejaar 2014-2015 onder leiding van Robbert Jan van der Veen van Plein06.

ii) Uber en AirBnB bijvoorbeeld worden deelplatforms genoemd. Maar eigenlijk zijn het geen platforms waarop alle deelnemers ongeveer evenveel winnen. Het zijn renteniersplatforms waarmee de eigenaars van auto’s en leefruimte geld kunnen verdienen, het platform winst maakt en de gebruikers ervoor betalen. Bedrijven dus. Daar is niets mis mee, maar delen maken ze slechts gedeeltelijk mogelijk. Zie ook: Griffioen, A. (2012). ‘No such thing as Big Society. De meent, het gemene en het communalisme’. Pp. 65-79 in: Kritiek. Jaarboek voor socialistische discussie en analyse, # 2012 De actuele utopie. Amsterdam: Kritiek.

iii) Daardoor verandert het filosofische denken over de meent in rap tempo. Aangezien filosofie vooral een universitaire aangelegenheid is, worden die veranderingen voornamelijk in het Engels en andere grote talen geschreven. Het Engelse woord voor de meent is the commons. In het Frans is het bijvoeglijke naamwoord commun, en in het Italiaans is het communale. Het valt gelijk op dat ze nogal op elkaar lijken, maar niet op ‘meent’. Het Duitse woord gemein lijkt meer op het onze, maar waar ‘meent’ nog vrijwel ongebruikt is, is ‘gemein’ dat zeker niet. Dat de academische taal zo ver van het Nederlands afligt, is een van de redenen waarom de academische discussie van onze buurlanden hier niet makkelijk landt. Zie voor een prachtvoorbeeld van een nieuwe meent naar model van de oude landmeentes: www.hofvantwello.nl.

iv) Bauwens, M. en J. Lievens (2013). De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving. Antwerpen / Utrecht: Uitgeverij Houtekiet. Zie verder www.blog.p2pfoundation.net.
v Griffioen, A. (2008). ‘Untying Cradle to Cradle. Towards an open source sharing model for an unrestricted use’. Pp. 122-125 in: Volume 18. Amsterdam: Archis.

vi) Griffioen, A. en E. Meijers (2012). ‘Biotechnologie, maar dan anders’, pp 34-35 in: De Helling. Kwartaalblad voor linkse politiek jaargang 25 #1. Utrecht: Stichting Wetenschappelijk Bureau GroenLinks.
vii De Moor, T. (2015). The Dilemma of the Commoners. Understanding the Use of Common-Pool Resources in Long-Term Perspective. New York: Cambridge University Press. Zie ook: www.collective- action.info/_Tea_TineDeMoor.

viii) Demoed, H.B. (1987). Mandegoed, schandegoed. De markeverdelingen in Oost-Nederland in de 19de eeuw. Zutphen: De Walburg Pers.

ix) Hardin zegt dat commons gedoemd zijn om ineen te klappen, omdat de deelnemers niet worden tegengehouden om ze te misbruiken voor eigen doeleinden. Een gemeenschappelijk stuk grond zal daarom altijd uitgeput raken. Dat klopt echter niet, want een situatie van algemene toegankelijkheid, zoals een algemeen toegankelijk stuk grond (of water, of de atmosfeer) is geen meent of commons. Vgl. Hardin, G (1968). “The Tragedy of the Commons”. Science 162 (3859): 1243–1248. URL: http://www.sciencemag.org/content/162/3859/1243.

x) Ostrom, Elinor (1990). Governing the Commons: The Evolution of Institutions for Collective Action. Cambridge: Cambridge University Press.

xi) Bollier, D. (2009). Viral Spiral: How the Commoners Built a Digital Republic of Their Own. New York: New Press; en Bollier, D. (2002). Silent Theft: The Private Plunder of Our Common Wealth. Londen: Routledge. Zie ook: www.bollier.org.

xii) Zie bijvoorbeeld http://www.kunstbeeld.nl/nl/nieuws/16190/nadia-plesner-vs-louis-vuitton.html.

xiii) Griffioen, A. en S. van Tuinen (2009). ‘Biomacht en biopolitiek: de inbedding van Foucault in het post- operaismo’, in: Krisis. Tijdschrift voor empirische filosofie, 2009 (3). Zie http://www.krisis.eu/content/2009- 3/krisis-2009-3-06-griffioen.pdf.

xiv) Daarmee verlaten we het begrip volk als weergave van politieke eenheid. Michel Foucault ziet dat de voorlopers van de neoliberale economen in de achttiende eeuw eigenlijk al niet meer met het begrip volk werkten, maar met de bevolking. De rijkdom van een land had direct te maken met het welzijn van de bevolking (en het welzijn van de bevolking met haar grootte). Foucault karakteriseert het begrip populatie of bevolking als ‘oneindige reeksen, veelheden of herschikkingen van verschillende statistische middelen’ binnen een bepaald territorium – het begin van een bruikbare schets van de menigte. Zie Foucault, M. (2007). Security, Territory, Population. Lectures at the College de France 1977-1978. Hampshire/New York: Palgrave Macmillan, p. 23.

xv) Het begrip menigte duidt een radicale verandering van de productiewijzen aan, evenals van de arbeidsvoorwaarden waaronder goederen geproduceerd worden. Neem bijvoorbeeld een akkerbouwer die aardappels verbouwt. Met de juiste enzymen kan men nu van de koolhydraten van een aardappel ook eiwitten of vetten maken – zelfs ethanol. Dat betekent dat de akkerbouwer voor de prijs van zijn concrete product afhankelijk is van de abstracte wereldmarkt voor biochemische componenten. De aankoop van zijn aardappels wordt geregeld door algoritmes op de globale beurzen. De globale vraag wordt gecommuniceerd op talloze netwerken. En de verwerking kan iets heel anders dan aardappels opleveren, op een heel andere plaats dan waar ze geteeld zijn. Cola bijvoorbeeld, of schoonmaakmiddel. De arbeid die hiervoor nodig is, moet onmiddellijk beschikbaar zijn, liefst zonder vast leveringscontract. En alle data die wij genereren terwijl we ons dagelijkse leven leiden, kunnen in globale netwerken van belang zijn voor de prijs die de aardappelboer voor zijn aardappels kan krijgen. De communicatieve verbanden op wereldschaal zijn dus bepalend voor de prijs van de materiële productie: vandaar de term communicatief kapitalisme. Als er nog een gemeenschap onder de virtuele communicatieve, speculatieve en handelsverbanden schuilt, dan is die volstrekt virtueel en globaal. Die virtuele, globale gemeenschap is de menigte. Zie: Ruivenkamp, G. (2005). “Tailor-made biotechnologies: Between Bio- Power and Sub-Politics”, pp. 11-33 in: Ruivenkamp, G. en J. Jongerden, reds. (2005). Tailoring Biotechnologies. Potentialities, Actualities and Spaces. Volume 1, Issue 1. Wageningen: Tailoring Biotechnologies. Deze passage komt uit: Griffioen, A. (2015). ‘Ecosofie en de meent. Een ‘wij’ voorbij privaat en publiek’ in: Oosterling, H. en R. Schepen (reds.). Heinz Kimmerle – filosoof in beweging. Amsterdam: Garant, 2015.

xvi) Oosterling, H. (2013). ECO3. Doendenken. Rotterdam Vakmanstad 2010-2012. Heijningen, Jap Sam.

>> terug naar onderzoekers